Van clusterbommen naar landmijnen, van Genève naar Phnom Penh

[Door: Suzanne Oosterwijk]

De afgelopen twee weken hebben volledig in het teken gestaan van ‘Genève’. Daar werd namelijk onderhandeld over een mogelijk nieuw protocol over clustermunitie bij de Conventie over Bepaalde Conventionele Wapens  (CCW). Op basis van een tekst met zwakke provisies die het gebruik van bepaalde clusterbommen zelfs toestond, was de vraag over staten tot overeenstemming konden komen. Gelukkig  stonden ruim 50 landen pal voor het totaalverbod op clustermunitie van het Clustermunitieverdrag  uit 2008 en gingen zij niet akkoord met het voorgestelde CCW protocol dat de levens van vele onschuldige burgers op het spel dreigde te zetten. Een grote opluchting en goed nieuws dat dit in Genève voorkomen is.

Fast forward naar een paar dagen later en een halve wereld verderop. Naar Phnom Penh in Cambodja, om precies te zijn. Hier, in het land dat de bakermat was voor de anti-landmijnen beweging, vind de elfde jaarlijkse conferentie plaats van staten die lid zijn van het Landmijnenverdrag uit 1997. Ruim 158 landen – meer dan 80% van alle staten ter wereld – zijn aangesloten bij het verdrag en hebben zich gecommitteerd aan concrete actie om de wereld vrij te maken van landmijnen.

Het probleem is duidelijk: naar schatting van de International Campaign to Ban Landmines (ICBL) zijn 1 miljoen mensen in de afgelopen drie decennia gedood of gewond geraakt door landmijnen. Hiervan was 71% burger, en 32% kinderen. Het grote probleem met landmijnen is – net als met clustermunitie – dat zij geen onderscheid maken tussen militairen of burgers; voor een landmijn maakt het niet uit wie erop gaat staan. Landmijnen die ooit tijdens een conflict zijn gelegd, bedreigen nog decennia nadien de levens en het levensonderhoud van burgers. Van 72 staten en 7 gebieden is bevestigd of wordt vermoed dat ze vandaag de dag nog besmet zijn met  deze wapens wat deze gebieden onbruikbaar maken voor landbouw en levensgevaarlijk om in te zijn.

De conferentie van lidstaten, die van 28 november tot en met 2 december zal plaatsvinden, is het uitgelezen moment  om de balans op te maken hoe ver landen zijn met het uitbannen van antipersoonsmijnen. En om alvast een voorschot te nemen op de komende dagen:  er is genoeg om je zorgen over te maken en genoeg om optimistisch over te zijn.

Het optimisme dat het mogelijk is om ‘in our lifetime’ in een wereld zonder landmijnen te leven, wordt versterkt door een bezoek  aan het Cambodjaanse trainingsinstituut voor het ruimen van mijnen.  Hier krijgen we een kijkje in de keuken van ontmijners. We zien verschillende methodes, variërend van het gebruik van metaaldetectors tot de inzet van speciaal opgeleide honden die mijnen opsporen. We horen over technische ontwikkelingen die het mogelijk maken dat antipersoonsmijnen beter gedetecteerd worden. De winst zit er vooral in dat de apparatuur uitsluitend gaat piepen wanneer het langs een landmijn zoemt en niet ook bij alle andere ontelbare metalen voorwerpen die zich eveneens in de grond bevinden. Dit versnelt het minutieuze proces van ontruiming – waar opperste concentratie en precisie voor vereist is – aanzienlijk. En dat betekent weer dat gebieden sneller vrij kunnen worden gemaakt van deze verwoestende wapens. De andere kant van de medaille is dat deze methodes erg kostbaar zijn en daardoor niet overal voorhanden zijn.

Het klinkende getal 44.5 miljoen stemt ook positief. Zoveel  landmijnen uit hun nationale voorraden hebben de lidstaten namelijk al vernietigd, een van de verplichtingen uit het verdrag.

Zorgen zijn er over die landen die achterlopen met hun verplichtingen zoals de vier landen die hun voorraden nog niet hebben vernietigd, de onduidelijke verslaglegging over welke gebieden nu precies getroffen zijn, en de vraag of slachtoffers en hun gemeenschappen wel de gepaste hulp krijgen waar zij recht op hebben.

Grote zorgen zijn er ook over de constatering dat in 2011 Libië, Israël, en Myanmar antipersoonsmijnen hebben gebruikt. Ook Syrië wordt ervan beschuldigd landmijnen te hebben gelegd langs de grens met Libanon. Geen van deze landen zijn lid van het Landmijnenverdrag.

De aanwezige landen in Phnom Penh zouden zich fel tegen deze gebeurtenissen moeten uitspreken en alle landen die nog geen lid zijn aansporen zich zo snel mogelijk bij het verdrag aan te sluiten.

Gelukkig is er in Phnom Penh een delegatie van ruim 300 campaigners van over de hele wereld om samen met staten te werken aan oplossingen en vervolgstappen.  Staatsdelegaties,  verschillende VN en andere internationale organisaties, en de aanwezige campaigners kunnen hopelijk inspiratie vinden in de veelbelovende woorden die tijdens de openingsceremonie werden gesproken door een Cambodjaans landmijnen slachtoffer. Ze zei: “My country is sometimes called the Country of Wonder, and this week we want you to make wonderful things happen.”

IKV Pax Christi  is als bestuurslid van de ICBL –  die zich al twintig jaar inzet voor een wereld zonder landmijnen – in Phnom Penh om staten onder het motto ‘Push for Progress’ aan te sporen alles te doen om het verdrag volledig uit te voeren.

Voor foto’s van het bezoek aan het ontmijningsinstituut in Odongk, zie onze Flickr.

Dit bericht werd geplaatst in Clustermunitie, Landmijnen. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s